Toen een verslaggever van het Rotterdamsch parool op 28 april 1964 de Posthoorn in Puttershoek binnenliep, trof hij een typisch Puttershoeks tafereel: een groep mannen, op leeftijd, deelden verhalen over vroeger. Verhalen over een tijd waarin nog niet zoveel van het dorp afgebroken was.
Aanleiding was de sloop van de Herberg Sint Joris, het eeuwenoude café aan de waterkant. Volgens hen zou daar eindelijk de waarheid over het ondergrondse tunnelstelsel onder Puttershoek naar boven komen.[1] Overal onder het dorp zouden namelijk tunnels te vinden zijn die in het verleden werden gebruikt. Door wie, of waarom was echter onbekend: ze waren er gewoon. Het was een hardnekkig gerucht, dat al generaties door het dorp ging, maar eindelijk bewezen zou worden.
De Sint Joris, het café aan het schouteneinde, moest verdwijnen als gevolg van het besluit om de dijken van Zuid-Holland (en daarmee de Hoeksche Waard) te verzwaren na de Watersnoodramp van 1953. Om die verwarring mogelijk te maken, moest, tot ontsteltenis van de inwoners, bijna het volledige oude gedeelte van het dorp verdwijnen. Wethouder C.L. (Cornelis) van Es van der Have speelde hierin een belangrijke rol; als een van de veelgehoorde sprekers tegen het besluit, bijvoorbeeld in gesprek met de provincie, maar ook als auteur van het boek Verdwijnend Puttershoek, dat alle verdwenen panden aan de hand van de tekeningen van Meeuw van Rotterdam heeft vastgelegd.
Toen het pand eenmaal was gesloopt, kon men het geluk niet op: onder het café kwam een bouwwerk tevoorschijn. Het bleek echter een gewelf, een kelderkamer. Deze werd door de slopers onderzocht, maar er werd nergens een toegang tot het gangenstelsel gevonden. Daar liet men het niet bij; “Ze hebben niet diep genoeg gegraven”, klonk het aan de stamtafel in de Posthoorn, “wacht maar tot de andere panden tegen de grond gaan”.[2]

Afb. Café Verkerk in 1967; aan dit soort tafels werden de verhalen van het dorp verteld, versterkt en verspreid. Bron: Schatkamer, Beeld & Geluid; Verkerk over Verkerk, https://schatkamer.beeldengeluid.nl/programma/2101608050036107031/verkerk-over-verkerk
Ook buiten de tafel van Theo Pol om, was het gerucht bekend. Aan tafel bij Pleun Verkerk, de vader van schaatskampioen Kees, werd eveneens bevestigd dat de gangen ooit eens ontdekt zouden worden.
Een ander deel van het dorp was kritischer op het idee. Toen de verslaggever Van Es van der Have opzocht, vertelde hij hem niks te geloven van het verhaal. Onder andere voor het maken van zijn boek heeft hij uitgebreid in de dorpsarchieven gezocht naar verhalen, feiten, en tekeningen over het dorp. Geen van de stukken bevatte volgens hem ook maar enige aanleiding voor een verdere verkenning van de mogelijkheid tot een tunnelnetwerk onder het dorp. Volgens de bestuurder zou een tunnelstelsel ook niet mogelijk zijn, omdat de gangen anders onder de twee dijken waaruit het dorp bestond moesten zijn gegraven.
Volgens Van Es van der Have zou het gerucht voort zijn gekomen uit het feit dat enkele huizen, zoals bijvoorbeeld het café Sint Joris, in het verleden een gewelf onder zich hadden. In de honderden jaren die volgden zijn deze echter bijna allemaal dichtgemetseld omdat deze minder praktisch bleken dan eerst gedacht. In zijn ogen is dit feit de basis geweest voor de mythe.
Desalniettemin bleef het geloof sterk. Schipper de Witte, de eigenaar van ’t Halve Eentje, een ander pand dat moest worden afgebroken, heeft in het verkoopcontract met de dijkkring waterschap Hoeksche Waard afgesproken dat iedere schat die onder zijn huis werd gevonden in zijn bezit zou blijven. Dat werd aan tafel in de Posthoorn als een verstandige zet gezien.
Een ander bewijs zagen de mannen aan tafel bij de Hofstede Rustenburg, de indrukwekkende, tegenwoordig afgebrande boerderij in de polder aan het dorp. Deze hofstede zou van (een neef van) de gebroeders Johan en Cornelis de Wit zijn geweest. Via een ondergrondse tunnel zou deze verbonden zijn met een klooster dat plaats heeft moeten maken voor de suikerfabriek.
De eigenaar van de boerderij, Klapwijk, weet dat echter al snel te ontkrachten. Wie van zijn boerderij naar de fabriek graaft, gaat van een droge naar een natte polder. Welke ondergrondse gang dan ook zou meteen onder water komen te staan. Het feit dat deze gangen meer dan 60 jaar later nog steeds niet zijn gevonden, maakt het nog zekerder dat er nooit tunnels onder de Puttershoekse dijken hebben gelegen.
Dit verhaal was echter niet exclusief aan Puttershoek. Ook in Breda zijn er lange tijd verhalen geweest over oude, middeleeuwse tunnels. Verslaggevers van BN/de Stem hebben daar eenzelfde soort zoektocht gedaan en vonden in hun documentaire ook geen concreet bewijs. Net zoals Puttershoek zijn gewelven kende, moet het verhaal in Breda vooral gevonden worden in het toewijzen van een andere betekenis aan bestaande structuren. Door de verhalen van de brede riolen, de oude, afgesloten stadskelders en de negentiende-eeuwse tunnels onder de vestingwerken van de stad te combineren, kwam al snel een vergelijkbaar verhaal naar boven.[3]
Een paar jaar later bezocht de NPO samen met stadarcheoloog Anja van Sallingen een bezoek aan Haarlem om de verhalen van ondergrondse tunnels daar te onderzoeken. Aan de verslaggevers laat ook zij een vergelijkbaar verhaal zien. Het grote stadsriool, de Haarlemse Beek, en het feit dat sommige kelders aan elkaar gebouwd smolten ook daar samen tot een hardnekkig gerucht.[4]
Echte ondergrondse tunnels zijn, zeker in Nederland, zeldzaam. Door de tijd heen zijn geruchten over tunnels in Arnhem[5], Culemborg[6] en Tiel al ontkracht.[7] Hoewel deze gangen enorm tot de verbeelding spreken, zijn ze in de praktijk enorm lastig te realiseren. Vooral met de technologie van toen. Daarom zijn bestaande tunnels enkel gevonden in vestings- of paleissteden, zoals Den Haag, Utrecht of Grave. De enorme kosten maakten dat deze tunnels slechts zeldzaam aangelegd werden. Hoewel deze tunnels iets vaker voorkomen in de grote, rijke steden in het buitenland, denk bijvoorbeeld aan de enorme catacomben van Parijs, de Romeinse Basilica Cisterne in Istanbul of de ondergrondse watertunnels van Napels, zijn de meeste Nederlandse tunnelverhalen niet meer dan fictie. Puttershoek is daarin helaas geen uitzondering.
[1] ‘Onderaardse gangen in Puttershoek?’, Het Rotterdamsch parool (Rotterdam 28 april 1964) <https://resolver.kb.nl/resolve?urn=MMSARO03:259029048:mpeg21:a00049>.
[2] Ibid.
[3] ‘De geheime gangen onder Breda: een urbane mythe’, Erfgoedweb Breda <https://erfgoed.breda.nl/nieuws/de-geheime-gangen-onder-breda-een-urbane-mythe>.
[4] ‘Schuilen er geheime ondergrondse gangen in Haarlem?’, NPO Radio 1 <https://www.nporadio1.nl/nieuws/achtergrond/1d62e880-519e-46bb-8cfc-3a4eca1c38b0/schuilen-er-geheime-ondergrondse-gangen-in-haarlem>.
[5] ‘Onderaardse gangen onder Arnhem: broodje aap? – De Moeilijke Bril’ <https://www.demoeilijkebril.nl/2020/06/10/onderaardse-gangen-onder-arnhem-broodje-aap/>.
[6] ‘Onderaardse gangen van Culemborg?! – Kasteeltuin Culemborg’ <https://www.kasteeltuinculemborg.nl/onderaardse-gangen-van-culemborg/>.
[7] Huub van Heiningen, ‘Gangen’, de Tielenaar (2015) <https://detielenaar.nl/openbare-ruimte/2015/07/gangen/>.

Geef een reactie