In januari 1620 kwam gouverneur-generaal Laurens Reael na bijna tien jaar in de Indonesische archipel terug in Nederland. Als 27-jarige jurist & koopman vertrok hij in mei 1611 in dienst van de VOC als commandant van een vloot naar Azië, waar hij al snel carrière wist te maken. Via het gouverneurschap in de Molukken werd hij lid van de Raad van Indië, de bestuursraad van het Aziatische gedeelte van de VOC en de kring van vertrouwelingen van de gouverneur-generaal. Toen gouverneur-generaal Gerard Reynst, de hoogste bestuurder van de VOC in Azië, overleed, besloot de raad om Reael uit hun midden aan te wijzen als zijn opvolger.[1] Hij accepteerde de voordracht, maar stuurde meteen een verzoek naar Nederland om met ontslag te mogen, tenzij zijn salaris kon worden verhoogd.

Als topman van de compagnie stond Reael soms recht tegenover het bestuur in Nederland. Waar de Heeren 17, volledig in lijn met Jan Pieterszoon Coen, speerpuntenwilden maken van het stevig bestrijden van de Europese concurrenten – met name de Engelsen – en het hardhandig handhaven en uitbreiden van het monopolie op de specerijenhandel, had Reael een heel ander beleid voor ogen. Samen met admiraal & koopman Steven van der Haghen pleitte Reael juist voor het onderhouden van goede banden met de inheemse bevolkingen.[2] Door bondgenootschappen met hen te sluiten en hen toe te staan handel te drijven, konden de volkeren zichzelf onderhouden en werd de machtspositie van de compagnie versterkt. Daarnaast zette hij zich als jurist in voor het internationaal recht, waar imperialisten als Coen minder mee op hadden.

Mede hierdoor besloten de Heren 17 om het verzoek van Reael om ontslag in te willigen. Zij stuurden Coen een brief en vroegen hem om de plaats van Reael in te nemen en hem met de eerste retourvloot naar huis te sturen. Hoewel de Compagnie Reael had laten vervangen voor zijn ideologische opponent, werd Reael eenmaal aangekomen in Nederland met de hoogst mogelijke egards ontvangen. Zo ontving hij naar traditie een gouden ketting en werd een portret van hem gemaakt.[3] Het resultaat is een bijna vorstelijk ogend portret, dat zijn status als pionier, admiraal en staatsman samenbrengt in één beeld.

Het portret van Laurens Reael

Voor dit portret zijn kosten noch moeite gespaard. Naar alle waarschijnlijkheid is het namelijk geschilderd door Cornelis van der Voort (1576-1624), een van de meest vooraanstaande portretschilders van het Amsterdam van het eerste kwart van de zeventiende eeuw. Hoewel hij in Antwerpen werd geboren, verhuisde de jonge Van der Voort al als kind naar Amsterdam. Daar werd hij op zijn zestiende burger, waarna hij officieel zijn schilderijen mocht verkopen in de stad.

Van der Voort had veel talent voor het schildersvak. Vanwege zijn vaardigheden met de kwast werd hij meermaals benoemd tot een van de overlieden (en later als bestuurder) van het Amsterdamse Sint-Lucasgilde. Dit gilde, genoemd naar de precisie en het oog voor detail dat de evangelist Lucas in zijn geschriften had, was het gilde voor alle schilders, glasemaekers, beeldesnijders, fïguersnijders, borduyrwerckers, tapissierwerckers ende leywerckers, mitsgaders alle andere die haer metter pentsier, ofte metter verve generen. Het was het gilde voor iedereen die een beroep in de kunsten of het beter vakwerk uitvoerde. Wie namelijk een van deze beroepen uit wilde oefenen in de stad moest lid zijn van het gilde. Pas na het betalen van de 3 gulden aan lidmaatschapsgeld kon iemand zijn werk verkopen in de stad.[4]

In de jaren na het schilderen van het portret heeft Reael niet stil gezeten. Hoewel een publiek ambt er door zijn band met zijn zwager Arminius in de eerste paar jaar na zijn terugkeer niet in zat, wist hij zich als dichter te profileren binnen de culturele elite van de stad. Zo schreef hij geregeld met bekende dichters als Pieter Cornelisz. Hooft en Joost van den Vondel. Na een aantal jaar (en een gunstiger politiek klimaat voor de Arminianen) werd hij bewindhebber bij de VOC-kamer in Amsterdam en woonde hij als ambassadeur van de Staten-Generaal de kroning van de Engelse koning Karel de 1e bij. Nadien werd hij zelfs tot de ridderstand verheven. Dit feit, samen met wat oneffenheden op het schilderij, maken dat sommige kunsthistorici geloven dat de helm op de tafel naast Reael enkele jaren na het schilderen van het portret zijn toegevoegd.[5]

Daar bleef het echter niet bij. In de lente van 1629 kwam Reael terug van een diplomatieke missie die hij namens de Staten-Generaal ondernam in Denemarken. Hij kreeg de taak om de koning van Denemarken te overtuigen om een bondgenootschap met de Republiek te sluiten tegen de Duitse dreiging. In 1628 heerste er namelijk een oorlogsdreiging in de steden rond de Oostzee: de Duitse keizer had al vele steden verovert en het zou slechts een kwestie van tijd zijn voordat ook de Denen en Nederlanders aan de beurt waren.[6] Daarom zonden ze Reael op pad. Eenmaal aangekomen aan het hof bleek echter dat de Keizer hem voor was. Aan het hof bleken Duitse diplomaten hem voor te zijn geweest. Zij hadden al de basis gelegd voor een verbond tussen de Denen en de Duitsers, die op het punt stond om beklonken te worden. Ondanks verwoede pogingen om toch nog een bondgenootschap te sluiten, keerde Reael onverrichter zake terug naar huis.

Op de terugweg leed hij echter Schipbreuk bij Jutland. Het reisgezelschap van Reael wist aan land te komen, maar werd daar al snel gevonden en gearresteerd door Duitse Keizerlijke troepen. Reael werd als krijgsgevangene naar Wenen gebracht en daar vastgezet. Hoewel de Staten-Generaal veel druk uitoefenden om hem vrij te krijgen, duurde het maanden voordat hij zijn reis terug naar Amsterdam kon vervolgen. Pas in de lente van 1629 keerde hij terug in zijn geboortestad.[7]

Vrij snel na zijn terugkomst trouwde hij met Suzanna de Moor, de weduwe van de rijke koopman Hendrik de pikker die werd omschreven als een jonge, deugdzame, schoone en rijke vrouw.[8] Na een groot feest voor de elite van Amsterdam en het ontvangen van lofdichten op het huwelijk van vele van zijn vrienden en collega-dichters, trok hij zich al gehuwd man terug.

“Zeg mij toch eens waar de ridder Reael verzonken is.”[9] Met die woorden schreef P.C Hooft over de situatie van zijn vriend Reael aan collega Joost Baak. De levensstijl van de gouverneur-generaal was veranderd. Hij was minder vaak aanwezig op de avonden van het literair gezelschap en correspondeerde en dichtte minder dan hij daarvoor deed. Zijn collega’s zagen de oorzaak hiervan in zijn aanstelling in het bestuur van de stad én bij zijn huwelijk.

Het portret van Suzanna de Moor

Van de echtgenote van Reael, Suzanna de Moor weten wij niet veel. Wel kunnen we aan de hand van haar portret uit de collectie van het Rijksmuseum een voorstelling maken bij hoe zij er uit moet hebben gezien. Lange tijd dacht men dat dit portret door dezelfde schilder als het portret van Reael moet zijn geschilderd: Het stuk is namelijk overduidelijk bedoeld als aanvulling op het portret van de voormalig gouverneur-generaal. Dat is echter onmogelijk. De beeltenis van Reael moet rond 1620, toen hij terugkeerde uit Indonesië, geschilderd zijn, terwijl het schilderij van Moor pas na het huwelijk van 1629 kan zijn geschilderd. Toen zij trouwden, was Van der voort al meer dan vijf jaar overleden.[10]

Wie het werk dan heeft geschilderd, is onbekend. Het duurde dan ook tot 1988 voor we meer wisten: min of meer bij toeval ontdekte kunsthistoricus Rudi Ekkart dat het werk veel weg had van een ongedateerd schilderij van een onbekende Nederlandse schilder. De houding, kleding en sierraden zijn op dat schilderij hetzelfde, maar het gezicht en de handen verschillen van elkaar. Hoogstwaarschijnlijk is het schilderij in der tijd niet volledig op maat, maar als aangepaste en gekopieerde versie van een ander schilderij gemaakt.[11]

Dat verklaart ook het verschil in kwaliteit, dat zichtbaar wordt als de twee werken naast elkaar worden gezet.

Bij het vergelijken van de twee portretten wordt het meteen duidelijk dat het portret van Reael van een veel hogere kwaliteit is dan dat van zijn vrouw. Dat begint al bij de tafel. Deze vormt het middelpunt van het beeld als beide schilderijen naast elkaar worden gezet. In grote lijnen lijkt het ook één geheel, maar wie de werken van dichtbij bekijkt ziet al snel veel verschillen. De details, bijvoorbeeld het materiaal of de schaduwen, zijn met veel minder precisie en met een veel grotere kwast vastgelegd.

Dat is een patroon, want hetzelfde beeld zien we terugkomen bij het gordijn en bij de kledij van Suzanna. Ook hier is de verf met grote halen op het doek aangebracht. Dat is in schril contrast met de precisie die de van der voort in zijn werk legde. Terwijl de details van de accessoires bij Reael precies kloppen, zijn de sierraden bij het portret van Moor vrij onnatuurlijk aangebracht.

Samen geportretteerd

In hoeverre horen deze twee portretten dan toch bij elkaar? Van het portret weten we dat het na het overlijden van Reael in handen is gekomen van zijn dochter Susanna Reael. Zij hertrouwde in de tweede helft van de zeventiende eeuw met Hiob de Wildt, waarna het werk in handen kwam van de familie de Wildt. Dat is ook het moment dat het tweede portret in beeld komt. Via achter- achterkleindochter Maria de Wildt komt het portret even in het stadhuis van Leiden te hangen, hoewel dit wel pas na het burgemeesterschap van haar vader Hugo de Wildt in die stad is.[12] Als de familie later weer terugtrekt naar Amsterdam, verhuizen de schilderijen mee. Pas jaren later, in de twintigste eeuw, verlaten beide schilderijen de famillie. Beide stukken komen in handen van Pieter van Leeuwen-Boomkamp. Deze leent de stukken uit aan het Rijksmuseum, die beide stukken in 1949 aankopen.[13]

Door de eigendomsgeschiedenis te volgen weten we in ieder geval zeker dat de schilderijen in 1838 een paar vormden. Als het werk daadwerkelijk bij leven van Suzanna geschilderd is, dan is het aannemelijk dat ook dit werk via dochter Susanna Reael een familie-erfstuk is geworden. Of dat zo is weten we echter niet. Door de onzekerheid over de maker van het schilderij van Suzanna de Moor, is het lastig vast te stellen of zij het werk ook zelf heeft kunnen aanschouwen. Het is ook mogelijk dat het werk later door de familie de Wildt is laten maken om hun ‘eenzame’ schilderij van Reael aan te vullen.

Hoewel de kwaliteit van beide werken enorm verschilt, vullen de portretten elkaar goed aan. Wie niet op de details let, ziet een prachtige voorstelling van een bestuurder met zijn vrouw in dezelfde kamer, afgekaderd door twee gordijnen. Hoewel het werk van Suzanna zeker nog wat restauratiewerk nodig heeft, vormen de twee schilderijen een prachtig paar. Het verhaal is in ieder geval minstens even mooi.


[1] F.W. Stapel, Gouverneurs-Generaal van Nederlandsch-Indië (Den Haag 1941) 13.

[2] M. A. P. Meilink-Roelofsz, Asian Trade and European Influence: In the Indonesian Archipelago between 1500 and about 1630 (Den Haag 1962) 207-209.

[3] F.W. Stapel, Pieter van Dam: Beschryvinge van de Oostindische Compagnie 1 (Den Haag 1927) XVI; M.A. Rhede van der Kloot, De gouverneurs-generaal en commissarissen-generaal van Nederlandsch-Indië 1610-1888 historisch-genealogisch beschreven 29-30 <https://digital.staatsbibliothek-berlin.de/werkansicht?PPN=PPN614231477&PHYSID=PHYS_0009&amp;view=fulltext-lens>.

[4] I. H. Van Eeghen, ‘The Amsterdam Guild of Saint Luke in the 17th Century’, Journal of Historians of Netherlandish Art 4 (2012), aldaar 2-6.

[5] ‘Portrait of Laurens Reael’, Rijksmuseum.nl <https://www.rijksmuseum.nl/en/collection/object/Portrait-of-Laurens-Reael–a60de554cc7b8ac7e9a04daf4bf9f3c7>.

[6] Redevoering over de verdiensten en lotgevallen van Laurens Reael 93.

[7] Ibid., 94-95.

[8] Ibid., 99.

[9] Ibid., 100.

[10] ‘Portret van Suzanna Moor (1608-57)’, Rijksmuseum.nl <https://www.rijksmuseum.nl/nl/collectie/object/Portret-van-Suzanna-Moor-1608-57–de2420f542f6049b82252863b38cca91>.

[11] Ibid.

[12] ‘Stamboom van Hugo de Wildt’, Geneanet <https://gw.geneanet.org/lenenrita?lang=nl&n=de+wildt&oc=1&p=hugo>.

[13] ‘Portrait of Laurens Reael’.


Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *