Het laatste wat men na een vlucht van iets meer dan een uur verwacht, is een zonovergoten Schotland. Ondanks de waarschuwende woorden van de weerapp, stapte ik halverwege april vol goede moed het vliegtuig richting de Schotse hoofdstad Edinburgh in. Wind, regen en vooral veel bewolking horen er immers bij. De verrassing was dus groot toen de warme stralen van de zon de weerapp in verlegenheid wisten te brengen. Daarmee begon mijn ‘bedevaart’ richting de Britse eilanden meteen goed.
Bedevaart is misschien een ietwat enthousiast gekozen woord, maar het dekt de lading van mijn belangrijkste queeste in het noorden van de Britse eilanden. Hoewel Edinburgh voor vele (opvallend vaak Amerikaanse of Nederlandse) toeristen vooral een kans is om de geschiedenis van de Engels-Schotse oorlogen, het vele achttiende- en negentiende eeuwse erfgoed, of de inspiratie achter namen en locaties in de Harry Potter-boeken te bekijken, was ik met een andere missie naar de Schotse hoofdstad afgereisd. Edinburgh is namelijk ook van grote betekenis geweest voor het leven en de vorming van de liberale politiek-economisch filosoof Adam Smith. In een paar dagen hoopte ik op locatie meer te zien en te leren over deze grondlegger van het marktdenken, die een inspiratie vormde voor latere denkers zoals Mises en Hayek.
Adam Smith
Adam Smith werd geboren in het begin van de achttiende eeuw in Kirkaldy, op slechts een steenworp afstand van Edinburgh. Op zijn veertiende begon hij zijn studie aan de universiteit van Glasgow, waarna hij nog enkele jaren verder studeerde in Oxford. Na zijn terugkomst in Schotland en enkele jaren waarin hij geschiedenis, economie en rhetorica onderwees, werd hij in 1751 – hij was toen 27 jaar oud – gevraagd om professor te worden in Glasgow. Na een jaar waarin hij logica onderwees, nam hij de plek van professor in de moraalfilosofie in. Daar, en tijdens zijn (lucratieve) omzwervingen in het Europa van de achttiende eeuw, leerde hij de Schotse en Europese intellectuele elite kennen en kwam hij in aanraking met koloniale koopmannen. Daarmee werd hij, naast vrienden en collega’s als David Hume, een sleutelfiguur in de Schotse verlichting. Zijn interesse in economie, geschiedenis en moraalfilosofie mondde in 1776 uit in zijn boek An Inquiry into the Nature and Causes of the Wealth of Nations. Zoals de titel doet vermoeden vormt dit enorme boek een uitgebreide verkenning in de vraag hoe landen welvaart opbouwen.
Zijn antwoord is heel kort samen te vatten: de vrije markt. Smith leefde in een tijd waar het mercantilisme hoogtij vierde. Volgens de staten van toen bestond een gezonde economie uit een positieve handelsbalans, beschermd door maatregelen zoals invoerheffingen en andere importbeperkingen. Deze zouden zogenaamd de eigen economie beschermen tegen invloeden van buitenaf. Welvaart komt volgens Smith niet voort uit de hoeveelheid edelmetaal die ‘s lands schatkist bevat, maar de mogelijkheid om goederen en diensten te creëren. Deze productiecapaciteit is op zijn hoogst als specialisten zo klein mogelijke taken uitvoeren. Hierdoor kunnen zij meer maken dan zij nodig hebben, waardoor ze hun overvloedige producten kunnen verhandelen met anderen en zo kapitaal op kunnen bouwen. Dit kunnen zij vervolgens investeren om het vergaren van nog meer kapitaal mogelijk te maken.
Hiervoor zijn wel een aantal randvoorwaarden nodig: de staat moet het eigendomsrecht kunnen garanderen en ervoor zorgen dat contracten worden gegarandeerd. De overheid hoeft echter niet zelf in de markt in te grijpen: juist de toenemende vraag in goederen zorgt ervoor dat deze gemaakt zullen worden. De producent zet zijn kapitaal om in productiecapaciteit om in deze vraag te voorzien. Als de vraag afneemt zullen producenten hun middelen elders inzetten. Zo bestaat er een automatisch mechanisme.
Dit mechanisme werkt enkel bij een vrije markt. Juist op het moment dat overheden toestaan dat zich monopolies vormen, subsidies verstrekken, productiequota opstellen, bedrijven beschermen of invoerheffingen invoeren, kunnen producenten meer geld vragen voor hun producten dan hun waarde. Op deze manier worden juist diegenen met een kleine beurs het meest geraakt.
Door het schrijven van dit boek wist Smith zichzelf definitief te vestigen als een van de centrale figuren in de Schotse verlichting. Het is dan ook niet voor niets dat er overal in de Schotse hoofdstad sporen en gedenktekens aan de filosoof en zijn werk te vinden zijn. Vastberaden om meer te weten te komen over zijn leven en werk, stapte ik vol goede moed de tram richting de stad in.
Op een voetstuk

Na een bijna verplicht bezoek aan Edinburgh Castle, het prachtige fort dat de gehele stad overziet, was het moment dan eindelijk aangebroken om in de voetsporen van Smith te treden. We daalden de Royal Mile af, de prachtige, 1.8 kilometer-lange weg die het kasteel met het koninklijk paleis van de stad verbindt, tot wij op het oude marktplein stonden. Daar vonden wij ons eerste hoogtepunt: het standbeeld van Smith. In de geest van Smith is dit standbeeld volledig uit private middelen betaald: ondanks zijn enorme bijdrage aan de publieke zaak is er geen cent subsidie uitgegeven aan het beeld. Het beeld zet hem neer in zijn latere jaren. Het legt hem vast als de man die in Edinburgh woonde, wijs en vol levenservaring. Rond hem vinden we allerhande verwijzingen naar de markteconomie: achter hem staat een ploeg, terwijl voor hem een bijenkorf en een globe staan. Deze verwijzen naar de agrarische economie, de opkomst van de industrie en de (wereld)handel. Tegelijkertijd is hij uitgedost in een cape die hem neerzet als geleerde en draagt hij een Amerikaanse pruik en ketting, die het beeld verbinden aan de vrijhandel met Amerika die hij bij leven bepleitte.
De Royal Exchange
Deze plaats is niet voor niks gevonden. Midden in het centrum van de stad, midden op het belangrijkste marktplein van de stad, kijkt Smith uit op zijn eigen graf, zijn voormalige huis, Edinburghs handelshaven en zijn geboorteplaats Kirkcaldy. Alsof dat nog niet genoeg was, staat het beeld vlak naast de voormalige Royal Exchange: de plek waar koopmannen samenkwamen om handel te drijven.

Na een aantal omzwervingen in Europa verhuisde Smith in 1767 terug naar zijn geboortestad Kirkaldy. Vanuit daar vervolgde hij het schrijven aan zijn Wealth of Nations en rees hij geregeld af naar London om de regering aldaar van advies te voorzien. Na het publiceren van zijn meesterwerk in 1776 werd Smith in 1778 gevraagd om in de voetstappen van zijn vader te treden en Commissioner of Customs voor Schotland te worden.
Als Commissioner of Customs werd Smith verantwoordelijk voor het heffen van accijnzen, (import)belastingen en het tegengaan van smokkelhandel. Ondanks het feit dat juist deze handelsbelemmeringen een gezonde economie in de weg stonden volgens zijn eigen werk, verdiende hij een uitstekend salaris. Hij verhuisde naar Edinburgh en zetelde met zijn kantoor in de overheidsvleugel van de Royal Exchange. Met marktkooplieden om zich heen en toegang tot min of meer alle beschikbare data over de Schotse handel, kreeg hij de kans om zijn Wealth of Nations verder te ontwikkelen. Vanuit zijn huis aan de Royal mile wist hij vier nieuwe edities van zijn werk te schrijven.
De royal Exchange was een enorm project, waarmee de stad hoopte alle handelsactiviteiten op straat op één plek probeerde te krijgen. Daar was een groot gebouw voor nodig. Om het gebouw te kunnen bouwen, werd daarom besloten om het over vier bestaande straten heen te bouwen. Deze werden gedeeltelijk gesloopt en gevuld met het puin als fundering voor de handelszaal. Wonderlijk genoeg is een aanzienlijk deel van de straten echter bewaard gebleven.
Deze straten zijn nu nog te bezoeken via Real Mary Kings Close. Beginnend op Mary Kings Close, genoemd naar de zeventiende-eeuwse marktkoop- en burgervrouw Mary King, voeren acteurs gehuld in verschillende pogingen tot vijftiende- tot achttiende eeuwse kostuums je langs de vier verborgen straten. Hoewel Mary Kings Close de enige straat is die nog als zodanig herkenbaar is, proberen de gidsen de verhalen van de straat op humoristische wijze tot leven te wekken. Hoewel de opzet enigszins toeristisch is, een beeld dat flink wordt versterkt door een ‘spontaan’ fotomoment en een smeekbede om reviews in de giftshop, maken drie goedbewaarde huizen deze attractie zeker de moeite waard.
De laatste meters
Eenmaal uit de kelders van het stadhuis en na een korte bezinning op de vraag hoe Smith naar een dergelijke ervaring zou kijken, vervolgen wij onze weg over de Royal Mile. Langs prachtige gevels, helaas verrijkt met talloze souvenierwinkels, zie je de stadsgezichten die Smith ook moet hebben gezien.

Een paar honderd meter verder vinden we Canongate kirkyard. Deze tuin rondom de Canongatekerk is al vanaf de tweede helft van de zeventiende eeuw in gebruik als begraafplaats en vormt de laatste rustplaats van Adam Smith. Wie hem een eer wil bewijzen, moet na de grote poort direct links om de kerk lopen. Halverwege het kerkgebouw vinden we vervolgens een pad met daarop kleine, bronzen plaketten die ons de weg naar het graf wijzen.

Omringd door een statig hek met Franse lelies vinden we daar dan een prachtig, statig graf dat iets weg heeft van een graftombe. Het werd meteen duidelijk dat hier niet zomaar iemand ligt begraven: naast een enorme gedenkplaat vinden we verschillende versieringen; gordijnen, linten en bloemen. Op de grond staat een citaat uit zijn werk, maar opvallender zijn de munten die bezoekers aan het graf als teken van respect door het hek hebben geworpen.

Herinneringen in leven
Wie nog niet genoeg van het leven van Smith heeft gezien, heeft geluk. Ook op het laatste gedeelte van de royal mile vinden we nog genoeg sporen van het leven van Smith. Wie de afdaling richting het koninklijk paleis en parlement maakt, vindt goed verholen achter een souvenierwinkel een belangrijk aandenken aan Smiths leven: Panmure House.

Panmure House is de enige overgebleven woonplaats van Smith in Schotland. In dit huis woonde hij toen hij als commissioner voor zijn stad en land werkte. Het was dan ook hier dat Smith zijn tweede tot vijfde versies van The Wealth of Nations schreef. Hoewel de omgeving is gemoderniseerd is het huis nog in goede staat.
Tegenwoordig is het gebouw namelijk geadopteerd door de Edinburgh Business School. Onder hun vleugels wordt het gebouw gebruikt om de ideeën van Smith in leven te houden middels het (economisch en sociaal) debat. Hoewel de buurt door de jaren heen is gemoderniseerd, leert een bezoek aan dit huis ons toch een hoop over de wijze waarop Smith in de achttiende eeuw leefde. Samen met zijn moeder betrok hij dit relatief grote huis, waar hij met zijn salaris van 600 pond vorstelijk in kon vertoeven. Vanaf hier liep Smith dagelijks ongeveer een kilometer heuvelopwaarts om zijn kantoor aan de Royal Exchange te bereiken. Wie in zijn voetstappen treedt kan Huizinga’s historische sensatie benaderen: op slechts een paar meter afstand (iets omhoog over de royal mile, in een steeg aan de rechterkant) vinden we de tuin waar zijn moeder bij leven graag kwam en overal vinden we cafés en kroegen die het Schotland uit ver vervlogen tijden proberen te vatten. Juist deze levendigheid en commercie, hoewel iets minder modern van aard, moesten ook ruim 250 jaar geleden dagelijkse kost zijn voor Smith.
Met deze realisaties vers in het hoofd bereikte ik het einde van de Royal Mile, Holyrood Palace. Met zijn werk is Smith de grondlegger van de moderne economie en een belangrijke inspiratiebron voor vele (klassiek- en neo)liberalen. Daarmee heeft hij een onuitwisbare invloed op de wereldgeschiedenis gehad. Het is dan ook niet vreemd dat de naar hem vernoemde stichting zich zelfs na bijna 250 jaar inzet voor het in leven houden van zijn gedachtegoed. Ondanks het feit dat hij slechts een deel van zijn leven in Edinburgh heeft doorgebracht, is het indrukwekkend hoeveel eer de stad aan één van haar belangrijkste denkers weet te schenken.
Naspel
Tijdens het verwerken van alle indrukken boekte ik een rondleiding door het Schotse parlement. Door de aankomende verkiezingen is het parlement met reces, waardoor ook de nationale vergaderzaal van het nog piepjonge vertegenwoordigende lichaam van het Schotse volk niet toegankelijk was voor het publiek. Door de kleine groep wist onze enthousiaste gids ons bij hoge uitzondering echter wel binnen te krijgen in een commissiezaal, waar wij aan tafel mochten zitten en ons voor even parlementariër mochten wanen.
Alsof het zo bedoeld was, bleken wij niet zomaar een commissiezaal te hebben betreden: wij zaten in de (Adam) Smith room.




Geef een reactie